Aaltje Nathans

Afgelopen najaar zou de heer Jaap Roos naar Haren komen om bij de Harense Historische Kring Old Go te vertellen over zijn onderduikperiode bij de familie Lacoste aan de Meerweg 54 te Haren. Helaas moest deze lezing worden uitgesteld tot 5 april aanstaande vanwege Corona. De komst van Jaap Roos was voor mij aanleiding eens wat dieper na te denken over de onderduik van Joden in Haren, Glimmen, Onnen en Noordlaren. Wat weten wij daar eigenlijk van? We hebben – met het nodige vallen en opstaan – inmiddels wel een compleet beeld van de in de gemeente Haren woonachtige Joden, die de oorlog niet hebben overleefd. Maar hoeveel Joodse inwoners hebben aan de greep van de Duitsers kunnen ontsnappen? In haar korte artikel ‘De Joodse gemeenschap in Haren’ op de website deverhalenvangroningen.nl geeft Wil Legemaat aan, dat van de ongeveer 60 Joden in Haren er 33 de oorlog niet hebben overleefd. Ergo, zo’n 27 hebben de oorlog wel overleefd. Binnenkort zal ik met een nadere analyse van deze cijfers komen. Nu wil ik me richten op een van deze overlevers: Aaltje Nathans.

Aaltje Nathans is op 27 oktober 1897 geboren te Assen als dochter van Leman Nathans. De broer van deze Leman was Simon Nathans, caféhouder en koopman te Haren. Diens zoon Salomon David Nathans was manufacturier te Haren. Zijn winkel was op de hoek van de Rijksstraatweg en de Kerkstraat. We vinden daar nu in het trottoir vier Stolpersteine, die ons herinneren aan de moord op Salomon, zijn vrouw Rosa en hun zonen Simon en Ephraïm in Auschwitz. Aaltje was dus een volle nicht van Salomon Nathans. Zij woonde tijdens de oorlogsjaren ook in Haren en heeft de oorlog overleefd. Hoe was dat mogelijk? We zijn geneigd te denken, dat de Joden die de oorlog hebben overleefd, dat te danken hebben aan een geslaagde onderduik. Wil Legemaat suggereert dit ook in haar genoemde artikel, maar het is slechts ten dele waar. Het verhaal van Aaltje Nathans illustreert dat.

Aaltje Nathans huwt op 22 juni 1940 met de Klaas van der Geest en gaat dan bij hem wonen op het adres Mellenssteeg 23 te Haren (huidig adres Mellenssteeg 79, Huize Ooster-Heert, zie de foto). Klaas van der Geest is een bijzondere man. Hij is geboren in 1903 op Schiermonnikoog. Op jonge leeftijd is hij actief binnen de communistische partij. Zijn eerste vrouw is in 1934 zelfs secretaris van de afdeling Den Helder van de CPN. Na zijn scheiding – begin 1940 – komt Van der Geest in Haren wonen en kort daarna trouwt hij dus met Aaltje Nathans. Na zijn opleiding op de zeevaartschool is Van der Geest aanvankelijk stuurman op de grote vaart. Tijdens de crisisjaren wordt hij echter werkloos en ontwikkelt hij zich tot schrijver. Als hij in Haren komt wonen heeft hij al een aantal romans op zijn naam staan. In het adresboek van de gemeente Haren van 1941 wordt hij vermeld als letterkundige. Maar wat boven dit alles betreffende Klaas van der Geest van belang is: hij is geen Jood.

Als de Duitsers in de loop van 1941 regels invoeren om de Joden geleidelijk uit de samenleving te elimineren voldoet Aaltje Nathans aan de aanmeldingsplicht voor personen, die naar ras vol Joods of half Joods zijn. Die aanmelding spoort met de opgave van in de gemeente Haren woonachtige personen die ‘geheel of gedeeltelijk van Joodschen bloede zijn’ die burgemeester Nauta op 1 maart 1941 doet aan de Procureur Generaal te Leeuwarden. Van Aaltje wordt op deze lijst vermeld, dat ze vier Joodse grootouders heeft. Dat laatste is van groot belang, omdat op grond van een Duitse verordening van 1940 als Jood wordt aangemerkt: eenieder, die uit ten minste drie naar ras voljoodse grootouders stamt, waarbij een grootouder als voljoods wordt aangemerkt, wanneer deze tot de joods-kerkelijke gemeenschap heeft behoord.

Het huwelijk met de niet-Jood Klaas van der Geest biedt Aaltje enige bescherming. De behandeling van de zogenaamd gemengd gehuwde Joden door de Duitsers – en vooral hun Nederlandse handlangers - is niet mals, maar ‘bis auf weiteres’ zijn zij vrijgesteld van internering in Westerbork (en alles wat daarna komt). Uiteraard zijn Aaltje en haar man angstig wat allemaal nog volgen gaat. Zij zoeken contact met de advocaat Tobias Jan van Iddekinge in Groningen en uit diens archief kunnen we enige informatie putten over hun inspanningen om Aaltje uit handen van de Duitsers te houden. We zien ook dat iedere strohalm wordt aangegrepen en dat uit ieder gerucht hoop wordt geput. Zo schrijven zij op 30 oktober 1942 aan Van Iddekinge: “wij hoorden vanavond iets wat misschien in ons geval gunstig kan zijn. Dat in een gemengd huwelijk, waarvan de man Arisch is en de vrouw door operatie geen kinderen kan krijgen vrijstelling wordt verleend. Ik ben een half jaar geleden geopereerd door Dr. Roest aan de Heeresingel”. Van Iddekinge stelt op hun verzoek ook een zogenaamd ariëronderzoek in. Belangrijk is te weten of de grootouders van Aaltje inderdaad lid waren van een Joodse Kerkgemeenschap. Van Iddekinge schrijft allerlei Joodse instanties aan om daar antwoord op te krijgen. Na enige correspondentie wordt duidelijk dat een van de grootmoeders van Aaltje op 10 maart 1815 is geboren te Appingedam. Opperrabbijn Dasberg uit Groningen verklaart vervolgens, dat de registers van de Nederlandsch Israëlische Gemeente te Appingedam niet terug gaan tot 1815 en dat dus niet duidelijk is of de betreffende persoon lid was van het kerkgenootschap. Ook van een andere grootouder blijkt na onderzoek de Joodse afstamming niet te bewijzen. Namens Aaltje schrijft Van Iddekinge op 21 januari 1943 een brief aan de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters te 's Gravenhage. Daarin wordt gemeld, dat de eerder door Aaltje verstrekte gegevens niet juist zijn en dat zij niet vier joodse grootouders heeft, maar slechts twee en zelf bovendien geen lid van een Joodse gemeente is en getrouwd is met een niet-Jood.

Aaltje Nathans overleeft de oorlog. Dit in schrille tegenstelling tot haar Harense neef en zijn gezin en ook dat van haar eigen moeder en een van haar broers. Niet de onderduik, maar de regeltjes hebben haar gered en vooral het geluk dat het ‘bis auf weiteres’ niet ‘weiter’ kwam. Na de oorlog vertrekken Aaltje Nathans en Klaas van der Geest uit Haren. Klaas van der Geest wordt weer actief in de CPN en schrijft maatschappijkritische streekromans. In 1951 maakt hij deel uit van een CPN-gezelschap, dat een reis naar Moskou maakt. Als hij terug komt geeft hij aan, dat hem duidelijk is geworden, dat hij door Moskou is gebruikt voor propaganda. Hij wordt daarop als verrader uit de partij gezet. Aaltje Nathans overlijdt in 1985. Zij is begraven op het Joodse kerkhof te Assen.

Klaas van der Geest huurde de woning aan de Mellenssteeg van Lammert van Calcar. Diens vrouw heette Trijntje Oosterheert. Het huis zal naar haar zijn vernoemd. Vanaf 1947 tot zijn overlijden in 1963 woonde Lammert van Calcar met zijn vrouw zelf in de woning. 

De columns ‘Harener Historie’ worden geschreven door Eppo van Koldam. Iedere twee weken verschijnt een nieuwe column. De eerste 78 columns zijn verschenen in het Harener Weekblad. De serie is per 1 april 2020 voortgezet op www.oldgo.nl. Dit is digitale column nr. 51.

Afschuwelijk ongeluk Meerweg

Op zaterdagavond 15 juni 1935 treffen vijf vrijgezelle jongemannen elkaar bij de kapper in Haren. Ze besluiten die avond eens stevig op stap te gaan. Een van hen, de 22-jarige Gerrit Horst, huurt bij de garagehouder F. Venema aan de Stationsweg (nu Jachtlaan 4, locatie Aldi) een auto. Daarmee vertrekken de broers Jacob en Jans Klinkhamer, wonende bij hun moeder Kerkstraat 38 te Haren, de kappersknecht Jelke Boerema, de in Groningen wonende Jan van der Ploeg en de genoemde Gerrit Horst in de late avond richting de binnenstad van Groningen. Daar bezoeken ze het café de Waagbar, behorende bij het café De Waag op de hoek van de Grote Markt en de Guldenstraat. Hun vriend Albert Pama is hier buffet chef. Albert Pama woont bij zijn broer in Haren, die daar een café heeft op het adres Rijksstraatweg 158 (nu Yugo). Na sluitingstijd van zijn bar sluit hij zich bij het groepje aan.

Met z’n zessen in de auto toeren de heren vervolgens langs cafés in Peize, Eelde en Paterswolde. De cafébazen worden gewoon uit hun bed gebeld om hen van de nodige alcoholica te voorzien. Om vijf uur in de vroege zondagochtend bezoeken ze nog een café te Eelde. Gerrit Horst, de chauffeur van de auto, drinkt stevig mee. Uiteindelijk gaat het dan via de Meerweg terug naar Haren. Overmoedig geworden door de alcohol trapt Gerrit Horst het gaspedaal stevig in. Nu maakt de Meerweg vlak voor de brug over het Noord-Willemskanaal een flauwe bocht naar links. Maar die bocht dateert van 1953. Tot die tijd volgt de weg het oude tracé met een haakse bocht vlak bij het kanaal en daar gaat het voor de vrienden mis. Vreselijk mis. Met een snelheid van zo’n 90 km per uur knalt de auto tegen een boom.

Twee jongens, die in de vroege ochtend aan de andere kant van het kanaal bij het Harener vaartje zitten te vissen, hebben de auto al van verre horen aankomen. Vervolgens horen ze een harde knal. Ze springen snel op hun fiets en rijden over de brug om te kijken wat er aan de hand is. Wat zij aantreffen is niet best. Buiten de auto liggen twee zwaargewonden en in de auto zitten er ook nog twee. Vreemd genoeg zijn ook twee inzittenden, chauffeur Gerrit Horst en Jan van der Ploeg, ongedeerd. Een van de jongens fietst snel naar wijkzuster Wartena, die aan de Meerweg 90 woont. Deze waarschuwt onmiddellijk ook dokter Kruizinga (Rijksstraatweg 130). Als dokter Kruizinga en zuster Wartena op de plek des onheils aankomen, blijken Jan Pama en Jelke Boerema al overleden. Zij verlenen eerste hulp aan de broers Klinkhamer en regelen, dat ze worden afgevoerd naar het Academisch Ziekenhuis in Groningen. De stoffelijke overschotten van Pama en Boerema worden overgebracht naar het nabijgelegen tolhuis annex brugwachterswoning van Jan Nijdam en zullen daar worden gekist.

Uiteraard is inmiddels ook de politie ter plaatse om een onderzoek in te stellen. Dan blijkt echter Gerrit Horst spoorloos verdwenen. Volgens het verhaal was hij zo in de war geraakt door het ongeluk, dat hij een fiets had gepakt en daarmee linea recta naar zijn moeder aan de Nieuwlandsweg 51 was gereden. De politie haalt hem daar weer uit zijn bed en neemt hem mee naar het gemeentehuis voor verhoor.

Drie dagen later komt uit Groningen het droeve bericht, dat Jacob Klinkhamer in het ziekenhuis aan zijn verwondingen is overleden. Zijn broer Jans is dan inmiddels alweer thuis. Gerrit Horst wordt dood door schuld verweten. De rechtbank te Groningen veroordeelt hem daarvoor op 28 november 1935 tot een half jaar gevangenisstraf en een jaar ontzegging van de rijbevoegdheid. Bovendien moet hij garagehouder F. Venema f.100,- betalen.

In de kranten wordt uitvoerig aandacht geschonken aan het ernstige ongeluk. Foto’s zijn er in die tijd in de kranten echter nog niet of nauwelijks. Dat gemis wordt enigszins ondervangen door het wekelijks verschijnend blad ‘Het Noorden in woord en beeld, geïllustreerd familie-weekblad voor Groningen en Drenthe’. Dit blad besteedt in de uitgave van vrijdag 21 juni 1935 aandacht aan het ongeluk met daarbij twee foto’s. De ene foto is van de boom waar de auto tegenaan is gebotst. De andere foto is gemaakt bij de brug met het tolhuis waar de lichamen van de twee dodelijke slachtoffers heen zijn gebracht. Het is wat wrang om te moeten constateren, dat we door het afschuwelijk ongeluk een uniek kijkje krijgen op de situatie bij de Meerwegbrug in 1935. Op de foto, die hierboven is afgebeeld, kijken we richting het dorp Haren. Rechts staat het tolhuis bewoond door Jan Nijdam. Dit huis is in 1945 op last van de Duitse bezetter afgebroken, omdat men vrij schootsveld wilde hebben vanaf de Harense kant van de brug. Jan Nijdam is in 1935 56 jaar oud. Mogelijk zien we hem met zijn vrouw Willemtien Snijder geheel rechts op de foto. De brug zien we achter de lantaarnpaal. Het kanaal is in deze tijd nog veel smaller dan tegenwoordig. Links van de lantaarnpaal is de slagboom voor de tol omlaag. Aan de andere kant van de brug komt de nog bestaande woning Meerweg 145 in beeld. In 1935 had Albertus Nijdam hier een bakkerij annex café. Wat op de foto vooral opvalt, is het grote aantal bomen bij de brug.

Na de oorlog is de brugwachterswoning niet herbouwd. Dit betekende ook, dat er vanaf die tijd feitelijk geen tol meer werd geheven. Na lange onderhandelingen besloot de gemeente in 1948 de weg inclusief de brug over te nemen van de Kunstweg Maatschappij Haren-Paterswolde. Daarmee kwam ook formeel – als laatste openbare weg in de provincie Groningen - aan de tolheffing een einde.

De columns ‘Harener Historie’ worden geschreven door Eppo van Koldam. Iedere twee weken verschijnt een nieuwe column. De eerste 78 columns zijn verschenen in het Harener Weekblad. De serie is per 1 april 2020 voortgezet op www.oldgo.nl. Dit is digitale column nr. 50.

Café Bellevue in Glimmen

Glimmen heeft heel wat cafés en herbergen gekend. Daarvan is café Bellevue aan de Zuidlaarderweg 8 en 10 (huidig adres) een van de minst bekende. Verwarring met het café Spoorzicht (later Even Rusten, Kastanjehoeve, Bourgondiër) aan de Zuidlaarderweg 4 of met het hotel Appelbergen op de hoek van de Oude Schoolweg en de Parallelweg (afgebroken in 1968) ligt voor de hand.

De start van het café kunnen we stellen op 1906/1907. De eerste mij bekende advertentie is van 19 mei 1907 (Nieuwsblad van het Noorden): “Bezoekers van de Appelbergen worden attent gemaakt op het Café ‘Bellevue’, te De Punt, (to. de villa v. d. heer Kranenburg). Degelijke Consumptie. Nette Bediening. Ruime Bergplaats voor rijwielen. Stalling. Aanbevelend J. Heise”. De in Assen geboren Jacob Heise is niet de eigenaar van het pand, dat is de aannemer Geert Oddens. Deze Geert Oddens bouwt ook de naastgelegen drie dubbele woningen Zuidlaarderweg 12/14, 16/18 en 20. De laatste woning is nog voor de invoering van de huisnummering ‘ontdubbeld’. Als Geert Oddens in 1910 overlijdt, blijft het pand eigendom van zijn erven.

Intussen probeert Heise de loop naar zijn café te krijgen door het organiseren van activiteiten. In 1912 wordt in zijn etablissement de rederijkerskamer ‘Oefening baart kunst’ opgericht. Op 23 december 1913 geeft deze rederijkerskamer een uitvoering met maar liefst drie toneelstukken: ‘Ik wil trouwen’, ‘Een kleine vergissing’ en ‘Veur 'n half stuver gestorven’. Volgens een artikel in het Nieuwsblad van het Noorden was de uitvoering een daverend succes. Uiteraard was er bal na afloop. Daarna wordt het echter wel erg stil rond Bellevue. Heise vindt dat blijkbaar ook, want hij verzet zijn bakens. In de krant van 7 juni 1919 lezen we: “Heden geopend het café Centraal te Glimmen, aanbevelend J. Heise, voorheen café Bellevue”. Dit café Centraal staat aan de Rijksstraatweg 27 te Glimmen op de hoek met de Nieuwe Kampsteeg. Jacob Heise en later zijn zoon Pieter zullen in dit pand nog jaren een café annex kapperszaak exploiteren.

Café Bellevue krijgt na het vertrek van Heise een geheel andere inkleuring. Dat lezen we bijvoorbeeld in de krant van 29 september 1922: “Het adres voor opzetten van vogels en zoogdieren is J. de Ruiter, café Bellevue, De Punt (voorheen Heerestraat te Groningen)”. Een uitvoerige beschrijving van het café vinden we in de aflevering van ‘De levende natuur’ in het Nieuwsblad van het Noorden van 19 oktober 1922. De auteur beschrijft, dat hij met de trein naar het station De Punt is gereisd om een wandeling te maken in de Appelbergen. Eerst bezoekt hij echter Bellevue “om poolshoogte te nemen van het wilde gedierte uit de buurt, dat men daar in een museum, keurig opgezet, bewonderen kan”. In de jaren die volgen timmert De Ruiter behoorlijk aan de weg met zijn museum, waaraan hij inmiddels ook een speeltuin heeft toegevoegd.

In 1927 vertrekt De Ruiter uit De Punt, zoals dit deel van het huidige Glimmen dan nog steeds heet, maar het museum blijft bestaan. Waarschijnlijk is een zekere R. de Lange de volgende exploitant, maar deze houdt op 27 april 1929 een boeldag “wegens vertrek naar elders”. Dat riekt sterk naar grote financiële problemen. De volgende exploitant start met een voortvarende advertentie in het Nieuwblad van het Noorden van 8 mei 1929: “Ontspanningsoord café Bellevue, De Punt, met zijn mooie speeltuin en museum van opgestopte vogels en allerlei dieren. Zeer aan te bevelen voor schoolreisjes! Heeren onderwijzers worden er beleefd op attent gemaakt. Mooie gelegenheid voor pension. Vlak in de buurt van de Appelbergen. Aanbevelend: S. Smit, vroeger eigenaar van het hotel café St. Vitus te Winschoten”. Sievert Smit is dan al niet de jongste meer. Hij is geboren in 1866 te Bellingwolde. Na het overlijden van zijn eerste vrouw heeft hij Winschoten verlaten en is hij in Groningen een sigarenzaak begonnen. In 1929 hertrouwt hij met de 30 jaar jongere Rikste Luth. Wellicht geeft die relatie hem de boost om in Glimmen een nieuwe start te maken. Lang duurt het verblijf van Sievert Smit in Glimmen echter niet. Al eind 1930 wordt ene J. Rondhuis als exploitant genoemd. Deze exploitant maakt begin 1932 vervolgens plaats voor L.J. Bosma.

Van L.J. Bosma heb ik nog geen verdere gegevens kunnen vinden. Hij is ook maar kort exploitant van Bellevue geweest, want op 28 oktober 1933 komt er een dramatisch einde aan het etablissement. Als mejuffrouw Werkman midden in de nacht van haar werk bij een automatiek in de stad Groningen naar haar ouderlijk huis aan de Hoge Hereweg 54 fietst, ontdekt ze bij het voorbijgaan brand in café Bellevue. Zij waarschuwt snel de bewoners. Deze kunnen gelukkig hun vege lijf redden. De schade is enorm. Ook het museum van opgezette vogels is een prooi der vlammen geworden. Na de brand hebben de erven Oddens weinig zin in de herbouw van het café. In plaats daarvan bouwen zij een dubbel landhuis (Zuidlaarderweg 8/10). Een foto van die bouw is te vinden op pagina 75 in het boek ‘Glimmen, dorp tussen Drentse A en Hondsrug’ van Willem Rutgers.

De columns ‘Harener Historie’ worden geschreven door Eppo van Koldam. Iedere twee weken verschijnt een nieuwe column. De eerste 78 columns zijn verschenen in het Harener Weekblad. De serie is per 1 april 2020 voortgezet op www.oldgo.nl. Dit is digitale column nr. 49.

De entree van Haren

Tot april 1940 vormde het bouwwerk op de bovenstaande foto de entree van het dorp Haren. Het stond aan de Rijksstraatweg recht tegenover de Botanicuslaan. Het gemeentebestuur was blij deze ‘steen des aanstoots’ uit het straatbeeld te kunnen verwijderen.

De historie van het bouwwerk gaat, al is het dan niet in de vorm zoals op de foto, ver terug. Rond 1800 stond hier al een kleine arbeiderswoning. De mij oudst bekende bewoner is Jan Jacobs Boddeveld. Hij is in 1756 geboren te Paterswolde en in 1789 te Haren getrouwd met Albertien Wolters. Albertien is in 1766 geboren te Peize. Zij is vroedvrouw. Dat laat zij aan haar mogelijke clientèle weten via een advertentie in de Ommelander Courant van 9 oktober 1804: “Albertyn Wolters, huisvrouw van J. Boddeveld, geauthoriseerde vroedvrouw te Haaren, brengt ter kennis van een ieder die haar dienst begeert, dat zij op zaturdag 6 october voor de Departementaale Commissie van Geneeskundig Onderzoek en Toevoorzicht te Groningen tot volle goedkeuring van dezelve haar examen als vroedvrouw heeft afgelegt; belovende een ieder volgens pligt en geweten getrouw te behandelen”.

Hun levensavond brengen Jan en Albertien door bij hun zoon Wolter Boddeveld, koopman te Zuidhorn. De woning in Haren wordt in 1827 voor f.300,- verkocht aan de timmerman Geert Homan. Homan heeft dit geld niet en moet het dus lenen. Banken zijn er niet en dus wordt in zo’n geval een particuliere geldschieter gezocht. De winkelier Harm van Streun leent Geert Homan het benodigde bedrag en verkrijgt het recht van hypotheek op de woning. Geert Homan vervangt de woning in 1846 door twee nieuwe woningen.

Zoon Pieter Homan erft na het overlijden van vader Geert de zuidelijke woning. In 1877 vervangt hij de woning op dit perceel door een dubbele woning. Een stukje van deze woning (Rijksstraatweg 93 en 95) is links op de foto nog net te zien. Pieter woont hier trouwens niet. Hij is timmerman in Helpman. Zoon Albert erft de noordelijke helft van het perceel. In 1886 vervangt ook hij de enkele woning door een dubbele woning. Dit is het pand dat we op de foto zien. Vanaf 1890 wordt de noordelijke helft van het pand (rechts op de foto) gebruikt als bakkerij door achtereenvolgens Willem Nieuwoonder, Jan Tammens, Pieter Meima, Reinholt Meima en vanaf 1906 Henderikus Helder. In 1920 wordt Helder ook eigenaar van de andere helft. Dit gedeelte is vanaf dan geen woning meer, maar staat te boek als bergplaats. Het pand op de foto krijgt daarom bij de toekenning van huisnummers in 1930 slechts één nummer: Rijksstraatweg 91. In 1939 koopt de gemeente het pand van Helder en ook de dubbele woning er naast, die dan eigendom is van de achterkleinzoon van Geert Homan. Helder verhuist naar de overzijde van de Rijksstraatweg en wel naar nummer 134 (nu Roede vloeren). Daar zet hij met zijn schoonzoon Homme Willem Ritsema de bakkerij voort.

Keren we nog even terug naar Geert Homan. In 1834 raken zijn vrouw Roelfje Kampinga en dochter Hillechien bijna betrokken bij een misdrijf. Begin januari van dat jaar komt de meid van de weduwe van Roelf Hammink uit Glimmen bij hen aan de deur. Deze weduwe is Geesien Arends Bos. Ik schreef over haar in mijn column ‘Roddelpraat uit Glimmen’. Zij woont op de boerderij, die we nu kennen als Weerdenbras, Rijksstraatweg 136 te Glimmen. De meid vraagt Geert Homan of hij een zilveren knipbeursje had gevonden en dit in de leenbank had gebragt. Geert ontkent dat, maar de meid wijst hem er dan op, dat het nummercedel op de naam van zijn dochter Hillechien Homan afgegeven is. Rara, hoe kan dat? Het antwoord komt op 30 januari 1834. Dan komt Grietje Pauwels, huisvrouw van Derk Bakker, arbeider van beroep, wonende te Haren, bij mevrouw Homan langs. Zij vertelt, dat haar dochter Jacobje Bakker het zilveren beursje gevonden had, het hierin zijnde geld, zijnde een enkele daalder er uitgenomen had en het beursje vervolgens naar de leenbank te Groningen gebragt had, hierop drie gulden had ontvangen, en had laten aanschrijven op Hillechien Homan. Grietje Pauwels belooft aan mevrouw Homan drie guldens, als zij het genoemde voorval niet verder ruchtbaar wil maken. Maar daar werkt zij niet aan mee en als Geert het verhaal van zijn vrouw hoort, gaat hij er direct mee naar de burgemeester met het verzoek, dat het hem “goedgunstig moge behagen te willen bewerken, indien mogelijk, dat zijn kind, bovengemeld, van de blaam door voormelde valsche naamopgeving op hetzelve gelegd, worde ontheven en onschuldig wordt verklaard”.

In 1877 worden in de gemeente voor het eerst lantaarns langs de straat geplaatst. Het eerste initiatief daartoe wordt genomen in Helpman, dat tot 1915 tot de gemeente Haren behoort. Jan Evert Scholten, de bewoner van Huize Gelria is daar de voortrekker. In Haren nemen notaris Scato Lohman, dokter Constant Hubenet en belastingontvanger Herman Steijn Parvé, alle bewoners van huizen aan de Rijksstraatweg in het centrum van Haren het initiatief over. Er worden dan 10 lantaarns geplaatst. De eerste lantaarn komt bij het huis van de familie Homan en de laatste bij de boerderij van de familie Ter Borgh tegenover de huidige Julianalaan. Het huis van Homan wordt dan dus als de noordelijke entree van het dorp Haren gezien. De lantaarns moeten iedere avond worden aangestoken en ’s ochtends weer gedoofd. Voor Helpman hebben Jan Evert Scholten cs uitgezocht, dat dit per jaar aan arbeidsloon en petroleum f.17,- per lantaarn kost. De inwoners van Helpman zijn bereid die kosten te betalen en ook in Haren zal de financiering op die manier gaan. Zoals boven gemeld, is Geerts zoon Pieter Homan in die tijd timmerman te Helpman, hij zal daar zorg dragen voor de plaatsing van de in Leeuwarden gekochte lantaarns.

Tot ongeveer 1920 stonden tegenover de beschreven panden, dus waar nu de Botanicuslaan is, ook een aantal sloppenwoningen. Dit stukje van de Rijksstraatweg werd daarom ook wel Kattenhage genoemd. Ik heb ooit ergens gelezen, dat deze benaming (ook) kan verwijzen naar een sloppenbuurt, maar ik heb deze bron gerelateerd aan het Kattenhage in de stad Groningen nog niet terug kunnen vinden. Meestal verwijst een naam met ‘katten’ naar een verhoogde opstelplaats voor de artillerie, vanwaar de verdedigers van een vesting stenen konden werpen naar de vijand, maar die betekenis is in Haren niet aan de orde.

De columns ‘Harener Historie’ worden geschreven door Eppo van Koldam. Iedere twee weken verschijnt een nieuwe column. De eerste 78 columns zijn verschenen in het Harener Weekblad. De serie is per 1 april 2020 voortgezet op www.oldgo.nl. Dit is digitale column nr. 48.

Subcategorieën

Old Go

De Harense Historische Vereniging Old Go is opgericht in januari 2010 en houdt zich bezig met de geschiedenis van de voormalige gemeente Haren. De gemeente bestond uit de dorpen Haren, Glimmen, Onnen en Noordlaren en de buurtschappen Essen, Dilgt en Hemmen. Op 1 januari 2019 is de gemeente Haren in het kader van de gemeentelijke herindeling samengegaan met de gemeenten Groningen en Ten Boer. 

Gevarieerd aanbod

Lezingen en excursies

Organisatie Open Monumentendag 

Uitgave van Harens Old Goud, 2x per jaar, een tijdschrift met een breed aanbod van artikelen en oude foto's

Publicaties in Haren de Krant

Presentatie en promotie op evenementen.

Info-centrum

Kom eens langs in het Info-centrum van Old Go! Elke eerste donderdag van de maand kunt u van 14.00 tot 16.00 uur bij ons terecht voor inzage in ons archief. We hebben een luisterend oor voor uw (oude) verhalen met of zonder foto’s. Voor vragen en informatie kunt u mailen naar info@oldgo.nl. Het adres is: Oude Brinkweg 12A, Haren; de trap op naar boven.   

Contact

Wilt u lid worden?  Zie ons aanmeldingsformulier. 

Heeft u een algemene vraag of opmerking:  info@oldgo.nl

Wilt u een artikel of foto's aanbieden voor Harens Old Goud: redactie@oldgo.nl