De overzwaai aan de Hoornsedijk

 

Het optreden van de industrieel Jan Evert Scholten kenmerkt zich door het streven zijn omgeving voortdurend aan te passen aan zijn wensen. Zo heeft hij nog maar net zijn buitenhuis Villa Gelria aan de Rijksstraatweg in Haren (nu Verlengde Hereweg 163 te Groningen) betrokken of hij spant zich al in om in Helpman langs de weg straatlantaarns te plaatsen. Hij ondersteunt zijn initiatieven meestal door zelf royaal met de geldbuidel te zwaaien. Zo betaalt hij een derde deel van de kosten van de zes lantaarns die als uitvloeisel van zijn initiatief in 1877 in Helpman worden geplaatst.

Begin 20e eeuw trekt Jan Evert Scholten zich terug uit het familiebedrijf om zich geheel aan zijn hobby’s en nevenactiviteiten te kunnen wijden. Hij richt zijn aandacht dan onder andere op het Paterswoldsemeer. In 1908 bouwt hij hier aan de huidige Meerweg een theehuis, dat we nu kennen als de Paalkoepel. Maar voordat het tot die bouw kwam, moest wel geregeld worden, dat dat bouwwerk goed bereikbaar was. Tot dan was er alleen een looppad over de dijk langs de Schipsloot, maar Jan Evert Scholten prefereerde het uiteraard om per koets te reizen. Daarom zorgde hij er voor, dat door particulier initiatief en uiteraard weer met een forse financiële inbreng van zijn kant de Kunstweg Haren-Paterswolde (de huidige Meerweg) werd aangelegd inclusief een verlegging van een deel van de Schipsloot en de bouw van een brug over het Noord-Willemskanaal.

Dat was echter nog niet voldoende. Op het Paterswoldsemeer kon leuk gezeild worden, maar bereikbaar per boot was het meer niet. Dat was natuurlijk erg ongemakkelijk als je zeilwedstrijden wilde organiseren met wat meer dan alleen lokale allure. Dus zocht Jan Evert Scholten ook hier naar een oplossing. In 1910 zette hij hiertoe de eerste stappen. Hij kocht toen een boerderij aan de Hoornsedijk van Hindrik Luinge. Direct na aankoop liet hij de oude boerderij afbreken. Zo kreeg hij de beschikking over een gunstig terrein aan de Hoornsedijk. Langs dit terrein liep namelijk een sloot genaamd de Mannewiek en die sloot stond in open verbinding met het Paterswoldsemeer. Dit was een goede plek om boten vanuit het Hoornsediep over de dijk te tillen. In april 1910 zijn de plannen voor zo’n kraan of overzwaai concreet. We lezen er over in het Nieuwsblad van het Noorden van 10 april 1910: “Naar wij vernemen is in een gisteravond gehouden vergadering van het comité ad hoc besloten om over te gaan tot het bestellen van een kraan welke zal worden geplaatst op de westeroever van het Hoornschediep en dienst zal doen om bootjes uit dit diep in het Paterswolder meer, en omgekeerd, over te brengen. De kraan zal met de onkosten van plaatsing komen op ongeveer 1400 gld., welk kapitaal bijeen gebracht wordt door het plaatsen van aandeelen a 10 gld. Een der oprichters der commissie, de heer S., nam 50 aandeelen, de Algemene Nederlandsche Wielrijders Bond 25, terwijl er in totaal reeds 128 aandeelen zijn geplaatst”. Grappig is het om te zien dat ook de ANWB in die tijd dit soort recreatieve voorzieningen mee financierde.

De kraan kwam er en is te zien op de bovenstaande foto. De situatie is ook nu nog goed herkenbaar als u op de Hoornsedijk gaat staan ter hoogte van huisnummer 14 en in zuidelijke richting kijkt. U ziet dan de sloot op de foto naar rechts van de dijk afbuigen en achter de woningen Hoornsedijk 15 en 16 langs lopen. Vervolgens loopt de sloot langs het weggetje naar het huisjesterrein De Mannewiek naar het Paterswoldsemeer. De kraan werd bediend door Johannes Nijdam. Deze woonde in het huis Hoornsedijk 14. Via het bruggetje over de sloot kon hij snel bij de kraan komen. Wie de dames met kinderen op de foto zijn, is helaas niet bekend. Johannes Nijdam was vrijgezel, dus zijn vrouw en kinderen kunnen het niet zijn. Het huis dat achter de in de takels hangende boot te zien is, is Hoornsedijk 15.

Al snel na de aanleg bleek de kraan niet goed te voldoen. De capaciteit was te gering om ook motorboten over de dijk te tillen. Reeds op 21 januari 1912 belegde de vereniging Het Paterswoldschemeer onder voorzitterschap van Jan Evert Scholten twee vergaderingen – ’s middags in Groningen en ’s avonds in Paterswolde – om te spreken over een betere oplossing. Volgens het bestuur zou dit een sluis moeten zijn. De kosten daarvoor werden geraamd op f.10.000,-. De bespreking in Paterswolde nam echter een verrassende wending. De aanwezigen spraken hun voorkeur uit voor een veel ambitieuzer plan. Er moest geen klein sluisje komen voor alleen de pleziervaart, maar een sluis voor grotere boten. Daarnaast moest dan gezorgd worden voor een verbinding van het Paterswoldsemeer via de Woldsloot, het Eelderdiep, het Peizerdiep en het Koningsdiep naar het Hoendiep. Dit zou de sluis ook aantrekkelijk maken voor de beroepsvaart. Er werd een comité ingesteld om dit voorstel uit te werken en te bespreken met het waterschap Westerkwartier en de gemeente Eelde. Uiteraard maakte Jan Evert Scholten weer deel uit van dit comité. Uitwerking van deze plannen zouden van het Paterswoldsemeer een watersportgebied van allure hebben gemaakt. Het is er echter niet van gekomen.

Pas 15 jaar later werd alsnog een sluisje gerealiseerd. Dit sluisje werd op 1 maart 1927 in gebruik genomen. De opening werd echter gecombineerd met de viering van het 10-jarig bestaan van het Clubhuis aan de Meerweg op 26 mei 1927. Het Nieuwsblad van het Noorden schreef hier de volgende dag over: “Tegen twee uur begaf men zich naar de overzijde van het meer, waar sinds 1 maart jl. de nieuwe sluis is opengesteld; met de officieele opening had men echter tot dezen dag gewacht. Een lange rij van motorbooten vulde reeds de sloot, die de sluis met het meer verbindt; ook zagen we er een viertal gepavoiseerde jachten der zeilvereeniging De Twee Provinciën. Aan den anderen kant lag de Libelle, de mooie motorboot van den heer Oving, aan boord waarvan zich verschillende genoodigden bevonden”. Hermanus Ellens Oving was de schoonzoon van Jan Evert Scholten. Hij had het initiatief van zijn schoonvader opgepakt en gezorgd voor de aanleg van het sluisje. Precies groot genoeg voor zijn eigen boot Libelle.

De columns ‘Harener Historie’ worden geschreven door Eppo van Koldam. Iedere twee weken verschijnt een nieuwe column. De eerste 78 columns zijn verschenen in het Harener Weekblad. De serie is per 1 april 2020 voortgezet op www.oldgo.nl. Dit is digitale column nr. 71.

Herrie in de polder

Als u vanuit het dorp Haren op de Oosterweg naar het noorden fietst of wandelt, kunt u in de bocht bij het huis Den Horn (horn = bocht) rechtsaf de Noorderzanddijk op. U passeert dan al snel de spoorlijn Groningen-Meppel en zo’n 700 meter daarna de spoorlijn Groningen-Winschoten. Ruim 100 meter na die spoorwegovergang maakt de Noorderzanddijk een bocht naar rechts en loopt met een grote boog langs een oude loop van de Hunze richting het Winschoterdiep. Waar ik aandacht voor vraag is de sloot die kort na de bocht in de Noorderzanddijk aan uw rechterhand ligt. U ziet dat deze sloot zich al snel splitst. Het rechtse deel loopt onder de spoorlijn Groningen-Winschoten door richting Haren. U staat nu bij een markant punt in de geschiedenis van de Harener waterstaat: het Harener zijltje. Hier werd het overtollig water van de Harener Oosterpolder gespuid op het Schuitendiep (Winschoterdiep) en om te voorkomen dat het water bij hoogwater weer de polder inliep was er een zijl. Gedurende enige tijd is hier ook wel een sluis geweest. Dus een voorziening met twee deuren in plaats van het zijltje met een deur. Die sluis maakte het mogelijk schepen te schutten. Het zullen geen grote schepen geweest zijn, maar u moet de betekenis van dit water voor het dorp Haren niet onderschatten. Van hier was er een directe vaarverbinding – de Harener Schipsloot - naar de buitens Mikkelhorst en Emdaborg en naar een haventje aan de Oude Middelhorst. De vijver bij het station is nog een laatste restant van deze verbinding. Zonder deze verbinding over water zouden de beide buitens er waarschijnlijk nooit geweest zijn. Op google maps is de loop van deze Harener Schipsloot nog goed te zien.

Waarschijnlijk bent u op uw tocht over de Noorderzanddijk niet veel andere fietsers of wandelaars tegen gekomen. Als u maar in zuidoostelijke richting blijft kijken, kunt u genieten van een rustig open polderlandschap. Hoe anders was het hier in de jaren 1866 tot en met 1868. Toen werd eerst de spoorlijn Groningen-Winschoten aangelegd en daarna de spoorlijn Groningen-Meppel. Voor het maken van de aardebaan van de spoorlijn kwamen zogenaamde polderwerkers vanuit het hele land naar Haren. Veel van die polderwerkers woonden in keten, maar een aantal beschikten over een bootje en dat legden ze in de Harener Schipsloot. Zo werd het hier een drukte van belang. De schrik zal de bewoners van Essen en de Oosterweg wel om het hart geslagen zijn, want de polderwerkers stonden nu niet direct bekend als ‘lieverdjes’. Toch vinden we in de vonnissen van de rechtbank te Groningen in de jaren 1866 tot en met 1869 niet veel zaken, waarbij sprake is van diefstal door polderwerkers. Een van de weinige is de veroordeling op 29 juni 1867 van de schipper Hendrik Jager, wonende op den Esserpolder, tot zes maanden gevangenisstraf wegens de diefstal van twee aalfuiken toebehorende aan de landbouwer Jan van Hemmen te Haren. Als in februari 1869 een schaap wordt vermoord in het land De Holten genaamd, aan Mr. O.J. Quintus toebehorende en gelegen te Hemmen onder Haren, wordt ook met een beschuldigende vinger naar de polderwerkers nabij het spoor te Essen verblijvende gewezen, maar enig bewijs is er niet.

Onderling raakten de polderwerkers af en toe wel slaags. Martinus Buskers, 31 jaar, geboren te Rotterdam, wordt op 18 juli 1867 veroordeeld tot vijftien dagen gevangenisstraf en drie geldboetes van f.8,- wegens mishandeling van drie andere polderwerkers. Kornelis Blewanus en Jan de Bonte, beide geboren in Noord-Brabant, hebben hun handjes ook wat te uitbundig laten wapperen. Zij hebben Egbertus Wolters in de Esserpolder een klap op de schouder en een stoot voor de borst gegeven en worden op 21 november 1867 veroordeeld tot een geldboete van f.5,- voor beiden.

Begin 1867 vond bij het Harender zijltje een triest ongeluk plaats. De Drentsche en Asser Courant bericht hier op 24 januari 1867 het volgende over. “In den vroegen morgen van maandag jl. gingen de personen Geert Molenberg en Hendrik Gorens, woonachtig buiten de Oosterpoort te Groningen; werkzaam aan den spoorweg Groningen-Winschoten, over ijs op schaatsen naar hun werk. Na eerst over de vlakte te zijn gereden, moeten zij over het Harenderzijltje zijn gegaan en hadden toen het ongeluk van den dijk neer te glijden en onder het ijs te geraken. Hoewel enige arbeiders in de verte iets hoorden roepen, zijn zij op dat ogenblik door niemand opgemerkt en alzoo beide verdronken. De genoemde personen laten diepbedroefde weduwen, de eerste met 5, de tweede met 2 kinderen, achter”. Helaas blijft het niet bij dit ongeluk. Op 15 juli 1867 komt de vierjarige Gerrit Giele, zoontje van een polderwerker, onder een met stenen beladen wagen terecht. “Ten gevolge waarvan het onmiddellijk een lijk was”, zoals we in de Drentsche en Asser Courant van 20 juli 1867 kunnen lezen.

Eind 1867 wordt het maken van de aardebaan voor de spoorbaan Groningen-Meppel gegund aan de aannemer Harkema te Warfhuizen. Dat betekent weer een nieuwe klus voor de polderwerkers. De Drentsche en Asser Courant schrijft op 25 januari 1867: “Voor vele arbeiders, die zich hier thans ophouden en bij gebrek aan werk niet in hun onderhoud kunnen voorzien, wordt daardoor weer de gelegenheid geopend een eerlijk stuk brood te verdienen”. Want dat laatste blijkt regelmatig wel een probleem. De polderwerkers krijgen alleen betaald voor gewerkte uren. In de winter zitten ze dus zonder inkomsten en velen redden het dan niet zonder ondersteuning door de diaconie en/of de gemeente. De gemeente Haren heeft het daar vooral in de winter van 1867/1868 erg druk mee. Gelukkig kunnen de kosten in rekening worden gebracht bij de gemeente waar de betrokkene ‘domicilie van onderstand’ heeft. Meestal is dat de gemeente van geboorte. Op 15 februari 1868 stuurt de gemeente maar liefst 65 declaraties aan andere gemeentebesturen. Dat het in de meeste gevallen om polderwerkers gaat blijkt wel uit de vanuit Harens perspectief ‘exotische’ geboorteplaatsen: Groede, Westdorp, Groesbeek, Enkhuizen, Duiven, Breda, Stompwijk, Vollenhove, St. Oedenrode, Vlijmen, St. Philipsland, Mijdrecht, Hooge Zwaluwe, Roosendaal, Moergestel, Olst en Rotterdam.

Illustratief voor de situatie is een brief van de burgemeester d.d. 24 maart 1868 aan de eerstaanwezend ingenieur van de Staatsspoorwegen te Groningen. “Het bestuur van den Oosterpolder te Haren beklaagt zich bij mij over belemmering van den afvoer van water door het Boeremaar. Deze belemmering ontstaat door de aanwezigheid van een gezonken scheepje – vroeger door polderwerkers bewoond – en door nog twee scheepjes door polders bewoond, alles in het maar bij den spoorwegbrug en dus binnen het zijltje. Ik vermeen dat door uw bemiddeling die belemmering het spoedigst en gemakkelijkst uit den weg geruimd zal kunnen worden en verzoek diensvolgens uwe tusschenkomst in deze”.

Tenslotte hoort bij elke column een plaatje. Het lukte mij niet een afbeelding te vinden van het Harener zijltje. Dus is het een afbeelding van de spoorlijn geworden. In het jaarboek Hervonden Stad 2018 schreef Froukje Veenman het artikel ‘Stopte de trein bij Groenestein?’. Bij dit artikel plaatste zij een afbeelding van een schilderij van Gerrit van Houten op een deurpaneel in zijn geboortehuis aan het Damsterdiep 215 te Groningen (Collectie Gerrit van Houtenstichting). Op het schilderij is het spoor te zien ter plaatse van de huidige Helperzoomtunnel met geheel links de molen Gideon aan het (oude) Winschoterdiep.

De columns ‘Harener Historie’ worden geschreven door Eppo van Koldam. Iedere twee weken verschijnt een nieuwe column. De eerste 78 columns zijn verschenen in het Harener Weekblad. De serie is per 1 april 2020 voortgezet op www.oldgo.nl. Dit is digitale column nr. 70.

Heibel in de kerk

Op zoek naar materiaal voor mijn columns spit ik onder andere de strafzaken bij de rechtbank te Groningen in de 19e eeuw door. Niet steeds met resultaat, maar af en toe vind je toch wel wat. Wat te denken van Jan Meinema, 31 jaar, schoenmaker te Haren, die op 14 oktober 1869 wordt veroordeeld tot drie dagen gevangenisstraf, omdat hij op 18 juli van dat jaar de dorpsveldwachter Harmannus de Groot een stoot voor de borst heeft gegeven toen deze in opdracht van burgemeester Jorissen in de kerk van de Christelijk Afgescheidenen de orde bewaakte. Dat vraagt nader onderzoek. Wat deed die veldwachter daar in functie in de kerk en wat was de reden voor die ordeverstoring?

Uit de behandeling van de strafzaak zelf worden de achtergronden van het gebeurde niet duidelijk. In de zaak worden maar liefst zes getuigen gehoord: de genoemde veldwachter Harmannus de Groot, arbeider Harm Smeenk, 54 jaar, landbouwer Pieter van Hemmen, 19 jaar, landbouwer Jan de Groot, 30 jaar, landbouwer Berend de Jonge, 55 jaar en Antje Nijdam, weduwe van Berend Jansen, 59 jaar. De laatste drie personen zijn op verzoek van Jan Meinema opgeroepen als getuigen à décharge. De veldwachter geeft aan, dat hij door de burgemeester naar de kerk is gezonden, omdat er tijdens de ochtendpreek veel ongeregeldheden waren. Harm Smeenk verklaart, dat hij in de namiddagpreek in de Christelijk Afgescheidene kerk heeft gezien, dat beklaagde veldwachter Harmannus de Groot een stoot voor de borst gaf. Beklaagde scheen kwaad te worden, omdat de veldwachter een meisje, dat zeer veel rumoer maakte, bij den arm vatte om haar uit de kerk te verwijderen. Jan Meinema zegt daarop, dat de veldwachter een meisje zodanig aan de kleren trok, dat zij scheurden. Hij zei toen alleen: “moet dat zo”. Hij heeft de veldwachter niet aangeraakt. Getuige Smeenk kan het voorval volgens hem niet gezien hebben. Hij zat boven in de kerk. Smeenk verklaart daarop, dat hij het duidelijk gezien heeft en dat hij toen de stoot gegeven werd in de onmiddellijke nabijheid van de veldwachter stond. Pieter van Hemmen verklaart ongeveer hetzelfde als Harm Smeenk. Jan de Groot, Berend de Jonge en Antje Nijdam ondersteunen de verklaring van Jan Meinema, maar bij nader doorvragen van de rechter blijkt, dat Jan Meinema de veldwachter niet gestoten heeft toen hij aan het meisje trok, maar iets later. Daarmee zijn de verklaringen van de getuigen à décharge voor Jan Meinema waardeloos en acht de rechtbank het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Een ambtenaar in functie mag je niet slaan.

Op zoek naar de achtergronden van het gebeurde zoek ik naar berichten in kranten. De meest aangewezen krant daarvoor is de Groninger Courant, maar helaas staat die nog niet in het systeem delpher.nl, dat via internet eenvoudig is te raadplegen. Gelukkig schreven kranten in die tijd regelmatig berichten van elkaar over en zo kan ik in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 23 juli 1869 het volgende bericht vinden, dat door deze krant is over genomen van de Groninger Courant: “Gepasseerden Zondag had in het dorp Haren, in de Christelijke afgescheidene kerk, een voor veler gemoed zeer onaangename gebeurtenis plaats. De leeraar aldaar door de synode uit zijn dienst ontslagen, meende in zijn recht te zijn den stoel te beklimmen. De gemeente hiermede onbekend, zag verwonderd op hoe de man het durfde wagen die plaats in te nemen. Toen hij nu zijne leerrede begon, zocht men door vele middelen hem het zwijgen op te leggen. Hij stoorde zich echter niet aan bedreigingen of tegenkantingen, vervolgde zijne leerrede en hield daarmede vol, totdat de preek uit was, ofschoon de toehoorders, op eenige weinigen na, verdwenen waren. 's Nademiddags trad hij andermaal op en was de verwarring niet minder; zoo zelfs, dat men, volgens zeggen, tot handelen is overgegaan”.

Dat bericht in de krant is weer alle aanleiding het boek 'Kerkmensen onderweg, wat heeft ze bezield' (Haren, 2002) er bij te pakken. In dat boek wordt onder eindredactie van Jan A. Niemeijer de historie van de Christelijk Afgescheiden (later Gereformeerde) gemeente beschreven. Het gebeurde in de kerk op 18 juli 1869 staat niet in het boek, maar over de ontslagen leraar lezen we wel het een en ander. De in 1823 te Bedum geboren Jacob Tjapkes Bos kwam in 1861 als predikant vanuit Emmen naar Haren. Nadat hij enige jaren in Haren werkzaam was, werden er klachten tegen hem ingediend. Hij zou vrouwen uit zijn gemeente op een volstrekt ontoelaatbare manier hebben benaderd en ook ontuchtige woorden hebben gebezigd. De kerkenraad was zeer met de zaak verlegen. Hoe moest er gehandeld worden? Bos gaf in eerste instantie toe, dat hij onjuist gehandeld had en wilde zijn schuld belijden tegenover de kerkenraad en de betrokken vrouwen, in de verwachting dat de affaire daarmee beëindigd zou zijn. Maar de kerkenraad nam daar geen genoegen mee. Daarop werden er in september 1868 twee speciale kerkenraadsvergaderingen gehouden onder leiding van een consulent, de Groningse predikant H. Renting. Bos bestreed de aanklachten niet en vroeg om vergeving. Het was echter duidelijk dat hij niet langer in de gemeente kon functioneren, omdat zijn positie onhoudbaar was geworden. Hij werd geschorst en later door de classis gehoord en afgezet. Dat accepteerde hij echter niet met als gevolg de escalatie op 18 juli 1869. Ook wilde hij de pastorie niet verlaten. Mogelijk heeft die weigering nog geleid tot een tweede stafzaak, waarin de rechtbank Groningen ook op 14 oktober 1869 uitspraak deed. Beklaagde in die zaak was Hendrik Hindriks, oud 59 jaar, arbeider, geboren en wonende te Onnen. Hem werd ten laste gelegd, dat hij J.T. Bos op 18 juli 1869 in de gang van diens woning had aangegrepen, op den grond geworpen, geslagen en verwond had. De rechtbank achtte dit echter niet overtuigend bewezen en concludeerde daarom tot vrijspraak. Begin 1870 vertrok Jacob Tjapkes Bos naar Amsterdam.

Ook Jan Meinema is tamelijk kort na het gebeurde uit Haren vertrokken. In de zomer van 1869 woonde hij aan de Straatweg (nu Rijksstraatweg 185) te Haren met zijn vrouw Johanna Ellens, de dochters Annechien en Trijntje en de zonen Jan en Willem. Zoon Jan overleed op 4 augustus 1869, 7 jaar oud. Was hij op 18 juli misschien al ziek, en was vader Jan, die daarvoor ook al twee kinderen had verloren, om die reden wat kort door de bocht tegenover de veldwachter?

Op de foto de kerk van de Christelijk Afgescheiden gemeente aan de Kerkstraat te Haren. Het gebouw op de foto dateert van 1881. Voor die tijd, dus ook in 1869, stond er een kleiner gebouw.

De columns ‘Harener Historie’ worden geschreven door Eppo van Koldam. Iedere twee weken verschijnt een nieuwe column. De eerste 78 columns zijn verschenen in het Harener Weekblad. De serie is per 1 april 2020 voortgezet op www.oldgo.nl. Dit is digitale column nr. 69.

Hoe Clara van Essen – van der Rijn WO-II overleefde

Fotograaf onbekend, Groninger Archieven

 

In een aantal eerdere columns heb ik aandacht geschonken aan Joodse inwoners van Haren die de oorlog hebben overleefd. Zie mijn columns over Aaltje Nathans en de familie Van Blankenstein. Deze keer wil ik het hebben over Clara van der Rijn.

Clara van der Rijn wordt geboren op 16 mei 1896 te Groningen als dochter van Simon van der Rijn en Frederika Cohen. Haar vader is in Groningen een succesvol zakenman. Hij is eigenaar/directeur van de firma ‘H.J. van der Rijn’ een door zijn vader opgericht bedrijf, dat handelt in non-ferro metalen (roestvrij staal, tin, koper, brons, blik, etc). Vader en moeder zijn zeer actief in het maatschappelijk leven in Groningen. Moeder Frederika Cohen wordt voor haar activiteiten zelfs benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Clara trouwt op 14 november 1917 met Leo Maurits van Essen. Leo krijgt ook een functie binnen het bedrijf van zijn schoonvader. Leo overlijdt op 21 februari 1936 in Groningen. Het huwelijk van Clara en Leo is kinderloos gebleven.

In november 1936 komt Clara van der Rijn naar Haren. Ze woont dan eerst aan de Westerse Drift 105 (huidig nummer) en betrekt in juli 1940 de woning Dilgtweg 12. De woningkaart van deze laatste woning vermeldt dan een verhuizing per 9 januari 1943 met als bestemming: Westerbork. Dat doet het ergste vrezen, maar dezelfde woningkaart laat zien, dat Clara op 20 juli 1945 weer wordt ingeschreven op het adres Dilgtweg 12. Ze heeft de oorlog dus overleefd, maar hoe? Voor mij het begin van een interessante zoektocht.

Allereerst heb ik contact opgenomen met het Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Een registratiekaart van Clara van der Rijn bleek daar niet aanwezig, omdat alle registratiekaarten in september 1944 op last van de Duitse kampcommandant zijn vernietigd. Toch kon men mij wel wat verder helpen. Clara zou op 16 april 1943 in Westerbork aangekomen zijn. Vervolgens wordt ze door de kampadministratie op 1 april 1944 als vermist vermeld. Ze zou dan uit een ziekenhuis in Groningen verdwenen zijn. Het is overigens zeer waarschijnlijk, dat Clara in werkelijkheid al veel eerder uit het ziekenhuis verdwenen is. Mogelijk al voor juni 1943. Dus kort na haar aankomst in Westerbork. Verder zette een attente medewerkster van de collectie ‘Een Naam en een Gezicht’ van het Herinneringscentrum Westerbork mij op het spoor van Ate de Groot.

Over Ate de Groot is op internet een in het Fries gestelde levensbeschrijving te vinden. Hij wordt geboren op in 1880 te Huizum bij Leeuwarden. In 1924 treedt hij in dienst bij de firma ‘H.J. van der Rijn’ op het toenmalige hoofdkantoor aan de Schuitemakersstraat 1 (hoek Akerkhof) in Groningen. In 1939 wordt hij binnen het bedrijf algemeen procuratiehouder. Dat geeft hem in de oorlogsjaren een sleutelpositie binnen het bedrijf, omdat alle leden van de Joodse familie Van der Rijn uit de directie moeten verdwijnen. Met de familie Van der Rijn onderhoudt Ate de Groot goede contacten. In zijn levensbeschrijving wordt vermeld, dat Clara van der Rijn dankzij zijn inspanningen van deportatie is gered. Die melding brengt ons weer een stapje verder, maar de vraag is wederom: hoe?

Verder zoeken leidde tot een mailcontact met Dirk de Groot. Hij is de zoon van Ate en woont tegenwoordig in Zwitserland. Dirk heeft Clara van der Rijn goed gekend. Ze is in 1958 zelfs aanwezig geweest op zijn huwelijk. Belangrijk voor mijn zoektocht is echter wat Dirk de Groot kan melden over de oorlogsjaren van Clara van der Rijn. “Ik weet dat ze in het Rooms Katholiek Ziekenhuis aan de Verlengde Hereweg in Groningen ondergedoken was. Toen ook daar de voedselvoorziening krap werd, heb ik haar voedselpakketjes gebracht. Er was een Duitse verpleegster, Rose, die ook na de bevrijding bij Clara is gebleven.” De informatie van Dirk de Groot klopt met de informatie vanuit Kamp Westerbork, dat Clara van der Rijn na een ziekenhuisopname is vermist. Of ze vanuit Westerbork direct in het Rooms Katholiek Ziekenhuis is opgenomen of eerst nog in het Academisch Ziekenhuis is niet bekend.

De vermelding van de Duitse verpleegster Rose brengt mij weer terug naar de woningkaarten van de woningen in Haren. Hierop is te zien, dat ene Hedwig Rose op 31 juli 1937 bij Clara van der Rijn aan de Westerse Drift komt wonen. Ze wordt vermeld als verpleegster. In 1940 verhuist Hedwig mee naar de Dilgtweg en als Clara wordt gedeporteerd naar Westerbork wordt Hedwig op 29 maart 1943 uitgeschreven naar Groningen. In 1945 komt ze met Clara van der Rijn weer terug naar de Dilgtweg. Hedwig is geboren op 20 september 1902 in Pyrmont in Duitsland als dochter van Richard Robert Rose en Emma Helena Maria Schintzel. In 1905 woont ze met haar ouders korte tijd in Rotterdam. Haar vader wordt dan vermeld als muzikant. Vader Rose overlijdt op 26 april 1947 in Groningen. Na zijn overlijden komt moeder Rose-Schintzel ook aan de Dilgtweg 12 wonen. Als Clara van der Rijn op 13 juli 1950 vertrekt naar Laren (NH), verhuist moeder Rose naar Duitsland. Of Hedwig Rose dan ook naar Duitsland vertrekt of dat ze mee gaat naar Laren, is mij nog niet duidelijk. Op 5 december 1980 staat in de Telegraaf de volgende rouwadvertentie: “Op 21 november 1980 overleed mijn lieve Clara van Essen – van der Rijn, geb. 16 mei 1896. Op verzoek van de overledene heeft de crematie in stilte te Westerveld plaats gevonden”. Zou die advertentie geplaatst zijn door Hedwig?

Kom ik nog even terug op Clara’s familie en de firma ‘H.J. van der Rijn’. Clara’s broer Herman Gabriel van der Rijn heeft door zijn handelscontacten in Duitsland al snel door, dat het voor de Joden in Europa gevaarlijk wordt. Hij vertrekt in 1939 met zijn gezin naar Amerika en wordt na de oorlog Amerikaans staatsburger. Moeder Frederika overlijdt op 5 mei 1941 In Groningen. Vader Simon weigert onder te duiken. Hij is op 2 juli 1943 vermoord te Sobibor. Zoals gezegd wordt de firma tijdens de oorlogsjaren geleid door Ate de Groot. Hij slaagt er in een door de Duitsers aangestelde Verwalter redelijk buiten de deur te houden. In de levensbeschrijving wordt verder over hem vermeld, dat het hem lukte Joodse werknemers uit Westerbork terug te halen en dat hij de werknemers van het bedrijf in Amsterdam steunde door voedselpakketten te sturen. Er wordt ook een activiteit van hem vermeld die mogelijk een raakvlak heeft met Haren. Hein Bekenkamp schrijft in zijn boek ‘Bezetting en bevrijding van Haren’ (Harener Historische Reeks nr. 9), dat de kerkklokken van Haren en Noordlaren in 1943 op last van de Duitsers uit de torens werden getakeld om te worden omgesmolten tot oorlogstuig. Uiteindelijk kwamen de beide klokken niet in de smeltkroes terecht. De klok van Haren werd na de oorlog terug gevonden in Hamburg en die van Noordlaren in Giethoorn. In het verhaal over Ate de Groot staat, dat veel torenklokken bij zijn bedrijf terecht kwamen en dat hij het omsmelten van die klokken saboteerde. Zou door zijn toedoen de klok van Noordlaren in Giethoorn beland zijn? Die suggestie is voor mij aanleiding boven deze column een foto te plaatsen van ingeleverde klokken bij de vestiging van ‘H.J. van der Rijn’ aan De Laan in Groningen. Misschien liggen de klokken van Haren en/of Noordlaren daar ook wel bij.

Foto: Pakhuis fa. Van der Rijn aan De Laan in Groningen met door de Duitsers verzamelde klokken.

De columns ‘Harener Historie’ worden geschreven door Eppo van Koldam. Iedere twee weken verschijnt een nieuwe column. De eerste 78 columns zijn verschenen in het Harener Weekblad. De serie is per 1 april 2020 voortgezet op www.oldgo.nl. Dit is digitale column nr. 68.

Subcategorieën

Old Go

De Harense Historische Vereniging Old Go is opgericht in januari 2010 en houdt zich bezig met de geschiedenis van de voormalige gemeente Haren. De gemeente bestond uit de dorpen Haren, Glimmen, Onnen en Noordlaren en de buurtschappen Essen, Dilgt en Hemmen. Op 1 januari 2019 is de gemeente Haren in het kader van de gemeentelijke herindeling samengegaan met de gemeenten Groningen en Ten Boer. 

Gevarieerd aanbod

Lezingen en excursies

Organisatie Open Monumentendag 

Uitgave van Harens Old Goud, 2x per jaar, een tijdschrift met een breed aanbod van artikelen en oude foto's

Publicaties in Haren de Krant

Presentatie en promotie op evenementen.

Info-centrum

Kom eens langs in het Info-centrum van Old Go! Elke eerste donderdag van de maand kunt u van 14.00 tot 16.00 uur bij ons terecht voor inzage in ons archief. We hebben een luisterend oor voor uw (oude) verhalen met of zonder foto’s. Voor vragen en informatie kunt u mailen naar info@oldgo.nl. Het adres is: Oude Brinkweg 12A, Haren; de trap op naar boven.   

Contact

Wilt u lid worden?  Zie ons aanmeldingsformulier. 

Heeft u een algemene vraag of opmerking:  info@oldgo.nl

Wilt u een artikel of foto's aanbieden voor Harens Old Goud: redactie@oldgo.nl