Retourtjes Ommerschans en Veenhuizen

Bij het uitpluizen van de archieven kom je soms prachtige vondsten tegen. De onderstaande brief is daar een van. Niet omdat de inhoud zo prachtig is, maar omdat de brief zo ontroerend is en de wanhoop laat zien waarin arme mensen zo’n tweehonderd jaar geleden verkeerden. De brief is verzonden vanuit de bedelaarskolonie Veenhuizen op 9 juli 1852 en gericht aan de burgemeester van Haren.

“Wij hebben een vriendelijk verzoek aan U.E. als dat uw de goedheidt moogt hebben om ons nog tog spoedig hier van daan te helpen, want mijn man M.J. Veenhuis was weer in gestort. Maar nu hij hoorde dat wij ontslagen zijn, nu is hij een geheel veel beter en nu verlang hij zoo om weg te gaan, want hij zegt als hij hier langer blijft dan begint hij weer te prakkezeeren en te malen en dan wort het mis. En wat zal hij op zigzelfs hier langer doen, want medezijnen krijgt hij niet en zijn ziekte is meest van verdriet en tegen zin. Hij zegt als ik weer in de vrije maatschappei ben dan ben ik wel weer beter. En hij kan zoo lang wel bij zijn zuster zijn tot dat hij in staat is zijn broot te verdienen met negoorzie. Och mijn heer weest tog medogen met ons en helpt ons ten spoedigste hier uit de slavernij. Ik ben gezond en zal mijn best doen om het broot te verdienen met Godswil en mijn man ook en dan hoop ik om de gemeente geen last meer aan doen. En het is nu de beste tijd om aan gang te komen zoo met het boerwerk, want daar ben ik ook in groot gebragt. Ik hoop op gunstig antwoort van U.E. te moogen horen. Ik heb mijn heer Hinderiks gevraagt, maar die zegt ieder keer uw moet wagten tot dat ik antwoort terug heb, dus hoop ik dat U.E. ons spoedig moogt te huis vragen, eer dat mijn man zig het weer aan trekt. Zoo blijven wij wagten op een gunstig antwoort als uw blieft. Zoo teken ik mij met alle achten. U.E. onderdanige de vrouw van M.J. Veenhuis, geboren Bruins”.

De brief heeft niet mogen baten. Nog voordat de burgemeester reageerde, overleed Marten Jans Veenhuis op 6 augustus 1852 in de bedelaarskolonie. Wie was deze Marten Jans Veenhuis en waarom kwam hij in Veenhuizen terecht?

Marten Jans Veenhuis wordt geboren op 8 oktober 1814 aan de Hoornsedijk. Daarbij denken we direct aan de huidige Hoornsedijk, maar vroeger werd ook de dijk langs de Schipsloot de Hoornsedijk genoemd. De dijk liep dus helemaal door tot Paterswolde. Daar aan het einde van de dijk bij de huidige Zuid-Westhoek wordt Marten in een klein arbeidershuisje geboren. Nederland verkeerde in die tijd in diepe armoede. Een groot deel van de bevolking was niet in staat in het eigen levensonderhoud te voorzien en was afhankelijk van de steun door de kerkelijke diaconieën of van de bedelarij. Bedelarij werd gezien als een ‘drukkende plaag’, een ‘ineetend kanker’, een ‘onzalige bron van zedeloosheid’, in ieder geval als iets waar paal en perk aan gesteld moest worden. Om dat laatste mogelijk te maken werden bedelaargestichten opgericht onder de vlag van de Maatschappij van Weldadigheid. Daar zouden bedelaars een heropvoeding kunnen krijgen. Het eerste bedelaarsgesticht startte in september 1822 in de Ommerschans iets ten noorden van Ommen. Vervolgens richtte de maatschappij een kolonie voor weeskinderen op te Veenhuizen bij Norg, maar omdat de plaatsing van kinderen tegenviel werd een van de hier gebouwde gestichten in mei 1825 ook bestemd voor de internering van bedelaars.

We mogen ervan uitgaan dat ook Marten behoorde tot het verarmde deel van de bevolking. Zijn ouders zullen hem niet veel hebben kunnen meegeven. Zijn moeder overlijdt kort na zijn 18e verjaardag. De familie woont dan in Engelbert. Vermoedelijk was vader Veenhuis daar net als aan het Paterswoldsemeer betrokken bij de turfwinning. We zijn Marten dan vervolgens een tijdje kwijt. In juli 1847 vernemen we weer van hem. Hij blijkt dan wegens bedelarij geïnterneerd te zijn in de Ommerschans. Aan die internering zijn kosten verbonden en die kosten worden in rekening gebracht bij de gemeente waar de betrokkene ‘domicilie van onderstand’ heeft en dat is de gemeente Haren. Binnen de gemeente komt de rekening terecht bij de diaconie van de Hervormde kerk. De diaconie erkent verplicht te zijn tot betaling van de onderstand voor Marte omdat hij in Haren geboren is, maar voegt daar wel aan toe nopens genoemde persoon geen nadere inlichtingen te kennen geven, aangezien hij wel in deze gemeente geboren is, maar voor het overige hier geheel en al onbekend is, omdat hij zich steeds ergens anders heeft opgehouden. Blijkbaar is deze eerste internering van Marten in de Ommerschans van korte duur, maar zijn verblijf buiten de instelling is dat ook, want in november 1847 is het alweer raak. Marten is dan aan het bedelen in Vries en wordt wederom opgenomen in de Ommerschans. Nu voor een langer verblijf. De kosten voor het gehele jaar 1848 bedragen f.35,-. Die kosten maken het voor de gemeente verleidelijk om in te stemmen met ontslag. In november 1850 is het zo ver en bericht het gemeentebestuur naar aanleiding van een verzoek om advies over een mogelijk ontslag “dat er bij ons geen bedenkingen bestaan tegen het ontslag van den kolonist M.J. Veenhuis, die wel in staat is om in zijn eigen onderhoud te kunnen voorzien”. Overigens verblijft Marten dan al niet meer in de Ommerschans, maar is hij overgeplaatst naar Veenhuizen. Het ontslag wordt inderdaad verleend en op 28 december 1850 is Marten weer een vrij man.

Het is niet uit te sluiten, dat Marten in Veenhuizen kennis heeft gekregen aan een mede-koloniste, want reeds een maand na zijn ontslag trouwt hij op 30 januari 1851 in Groningen met de weduwe Elisabeth Bruins. Maar helaas, ook nu kan Marten zich in de vrije wereld niet redden. Hij geeft zich weer over aan de bedelarij, deze keer samen met Elisabeth te Leeuwarden. Beiden worden opgepakt en opgezonden naar de Ommerschans. Vandaar verhuist het echtpaar na enige tijd weer naar Veenhuizen. Weer draait de gemeente Haren voor de kosten op. De reactie van de gemeente op een mogelijk ontslag in de zomer van 1852 moeten we dan ook zeker zien in dat perspectief. “Ten gevolge van het verzoek van Marten Jans Veenhuis, teneinde te worden ontslagen uit de Kolonie Veenhuizen, hetzelfde verzoekende voor zijne vrouw Elisabeth Bruins, hebben wij de noodige informatiën ingewonnen en is ons voldoende gebleken, dat het alleszins waarschijnlijk is, dat dat die twee personen bij eenige oppassendheid en met bijstand van hunne in deze gemeente wonende betrekkingen, die wel tot hulp te verleenen bereid zijn, aan den kost zullen kunnen komen. Het is dus voor deze gemeente wenschelijk van de betalingen der verplegingskosten der genoemde personen in de Kolonie Veenhuizen bevrijd te worden en hebben wij de eer u beleefdelijk te verzoeken het ontslag uit de Kolonie Veenhuizen van Marten Jans Veenhuis en Elisabeth Bruins, die beiden voor rekening dezer gemeente aldaar worden verpleegd, wel te willen bevorderen”.

Het ontslag wordt inderdaad ingewilligd, maar ondanks het indringende verzoek van Elisabeth Bruins is het voor Marten van een vertrek naar Haren niet meer gekomen. Hij zal een plekje hebben gevonden op de begraafplaats in Veenhuizen, ook wel aangeduid als het vierde gesticht. Elisabeth komt wel naar Haren. Zij trouwt daar zelfs op 9 juli 1853 met de weduwnaar Geert Tonnis Klatter. In 1860 overlijdt ze te Groningen.

Opschudding in Onnen

Op 19 oktober 1839 meldt Kars Eisses, wagenaar en tapper te Onnen, zich om 10 uur ’s ochtends bij burgemeester De Sitter. Hij doet zijn beklag over wat hem de vorige dag in Onnen is overkomen. Volgens hem door toedoen van baldadige jongeren. Hij verzoekt de burgemeester de zaak te onderzoeken “en daar te brengen waar het behoorde”. Anders gezegd, hij wil dat er een strafrechtelijk onderzoek wordt gestart en dat een aantal jongeren in Onnen worden gestraft. Dat onderzoek biedt ons een leuk inkijkje in het reilen en zeilen in Onnen zo’n 200 jaar geleden.

Wat was er gebeurd? Kars Eisses was op de avond van 17 oktober thuisgekomen met zijn wagen en had toen zijn paarden uitgespannen en in het weiland bij zijn huis laten lopen. De volgende dag zou hij met een aantal meisjes uit Onnen naar de jaarmarkt in Vries rijden. Maar wat ziet hij als hij zich de volgende morgen gereed wil maken voor de tocht naar Vries. In zijn weiland staan twee vreemde paarden en zijn eigen paarden zijn verdwenen. Ook is zijn wagenladder (= de zijkant van zijn boerenwagen) weggehaald. Zo kan hij niet naar de markt in Vries! Vanuit zijn huis aan de Dorpsweg (nu nr. 56 net ten zuiden van het dorp Onnen) loopt hij het dorp Onnen in en spreekt daar met Johanna Bazuin, de vrouw van landbouwer Hindrik Kooi. Weet zij waar zijn paarden zijn? Nee, dat weet Johanna niet, maar zij kan hem wel vertellen, dat zij op het land tijdens het rooien van aardappels had horen vertellen, dat de jongelieden Hindrik Bakker en Hindrik Eisses iets met zijn wagen wilden uithalen, opdat hij niet met de jonge meiden naar Vries zou kunnen rijden. Ook Aldert Buringa die Kars Eisses even later tegenkomt bevestigt het verhaal van Johanna Bazuin. De jongens in Onnen willen volgens hem niet dat Kars Eisses met ‘hun’ meiden op stap gaat en dat zij het nakijken hebben. Na enig zoeken vindt Kars Eisses een van de genoemde jongens, Hindrik Bakker, bij zijn vriend Klaas van der Es. Hindrik zegt van niets te weten, maar hij fluistert wel het een en ander met Klaas van der Es. Deze laatste zegt vervolgens: “de wagenladder ligt achter in de Westerkamp in de walsloot en de paarden lopen achter Cornelis Hornhuis zijn woning”. Dat is helemaal aan de andere kant van het dorp en inderdaad vindt Kars Eisses daar zijn wagenladder en zijn paarden terug. De tocht naar Vries is hem door de neus geboord en hij kan deze grap allerminst waarderen. Vandaar zijn bezoek aan de burgemeester.

Burgemeester De Sitter neemt de aangifte van Kars Eisses serieus en start het door deze gevraagde onderzoek. Als eerste laat hij Hindrik Bakker naar het gemeentehuis (een kamer in de herberg De Jagtwagen) komen. Hindrik verklaart dat hij naar Klaas van der Es was gegaan om hem te vragen of hij ook naar de markt in Vries ging. Zelf was hij die ochtend al vroeg op pad geweest om zijn lijsterstrikken (blijkbaar ving hij vogels) te controleren. Toen had hij de paarden van Kars Eisses in de weide van Cornelis Hornhuis zien staan. Voordat Kars Eisses bij hem en Klaas van der Es kwam, had hij aan Klaas al verteld waar hij de paarden gezien had. Hij durfde dat niet zelf aan Kars Eisses te vertellen omdat verschillende personen die ochtend al tegen hem hadden gezegd: “Gij zult vandaag wel een fiks pak slaag krijgen”. Daarvan was hij behoorlijk geschrokken. Inderdaad hadden de meisjes van Onnen hem en ook anderen getergd door te zeggen dat hij niet mee kon rijden naar Vries. Maar verder wist hij van niets.

De volgende jongeling die bij de burgemeester op het matje moest komen was Hindrik Eisses, oud 19 jaren, dienstknecht, wonende bij de landbouwer Jan Veldman te Onnen. Hij verklaart dat hij niet voornemens was geweest naar de Vriezermarkt te gaan en dat hij met niemand daaromtrent had gesproken. Hij was op vrijdag 18 oktober ’s morgens om zeven uur van huis gegaan om de koeien en paarden te halen en was toen onderweg Hindrik van der Es (de broer van Klaas van der Es) tegengekomen, die hem verteld had dat de paarden van Kars Eisses zoek waren. Dat Kars Eisses daarna, toen hij weer thuis was, bij hem was gekomen en hem gevraagd of hij wist waar zijn paarden waren, waarop hij had geantwoord van neen. Verder verklaart Hindrik Eisses omtrent de paarden en de wagenladder van Kars Eisses niets te weten. Wel was Hindrik Bakker die morgen bij hem was geweest, waaraan hij had verteld, dat Kars Eisses hen beschuldigde zijn paarden te hebben weggebracht, waarop Hindrik Bakker slechts had geantwoord: “Zoo, hoe kan Kars Eisses dat zeggen”. Vervolgens tekent Hindrik Eisses zijn verklaring bij de burgemeester met een X, omdat hij geen schrijven heeft geleerd.

Het zit de burgemeester niet mee met zijn onderzoek. De twee verdachten ontkennen glashard. Maar hij geeft niet op. Johanna Bazuin, oud 44 jaren, vrouw van Hindrik Kooi, is de volgende die op het gemeentehuis ontboden wordt. Zij vertelt, dat ze op de vroege ochtend van 18 oktober van de dienstmeid Elizabeth Baving, wonende bij Hindrik Breman, was te weten gekomen, dat de paarden van Kars Eisses weg waren, en wel door dien genoemde dienstmeid aan haar dochter had verteld, dat ze haar tocht naar Vries wel kon vergeten aangezien men de paarden van Kars Eisses had weggenomen, zodat hij nu niet met zijn wagen naar de Vriezermarkt kon rijden.

Zou Klaas van der Es dan meer weten? Tenslotte heeft hij aan Kars Eisses verteld waar zijn paarden stonden. Hij verklaart dat op vrijdag 18 oktober omstreeks negen uur Hindrik Bakker bij hem was gekomen en hem gevraagd had of hij ook mee naar de Vriezermarkt ging, hetwelk hij had afgeslagen, aangezien zijn ouders daar heen gingen. Dat toen Kars Eisses was gekomen en hen gevraagd of zij ook wisten waar zijn paarden waren. Dat Hindrik Bakker toen aan hem had gefluisterd: “zeg maar tegen hem, dat zijne paarden loopen in het Westerveld van Cornelis Hornhuis”. Hetwelk hij dan ook had gedaan, waarop de persoon van Kars Eisses was henen gegaan. Dat hij nog aan Hindrik Bakker had gevraagd: “hoe weet gij het, dat de paarden daar zijn?”. Waarop die had geantwoord: “ik heb ze er zien loopen”.

Voorts verklaart hij. dat hij wel had gehoord, dat er meisjes donderdagavond om elf uur nog bezig geweest waren met het boenen van de wagen van Kars Eisses. Wijders verklaart hij van de paarden en de ladder niets te weten. Noch hoe dezelve zouden zijn weggevoerd.

Dan neemt het onderzoek een vreemde wending. Kars Eisses meldt zich weer bij de burgemeester. Hij verklaart, dat hij “dat hij zondag den 20 dezer uit de kerk komende, was voorbij gekomen den persoon van Hindrik Bakker, tot welke hij had gezegd: “kom vanavond eens aan mijn huis, dan willen wij wat met elkanderen praten”. Dat gemelde Hindrik Bakker werkelijk was gekomen en oogenblikkelijk daarna ook de persoon van Hindrik van der Es. Dat hij toen onder anderen aan Hindrik Bakker had gezegd: “jongen, beken liever schuld, en zeg de waarheid, dat gij mede mijn paarden en wagenladder hebt van huis gebragt. Wanneer gij dan boete moet betalen naar regt, zal ik dezelve voor u voldoen”. Dat de persoon van Hindrik Bakker daarop hadde geantwoord: “Ja, het spijt mij, ik heb er niet om kunnen slapen en er haast om geschreid”. Dat hij daarop werkelijk medelijden met Hindrik Bakker krijgende nog tot denzelven had gezegd: “nu als gij boete moet betalen naar regt, kom dan bij mij en haal het geld daartoe”. Alle reden voor de burgemeester om ook Hindrik van der Es, soldaat bij de achtste afdeling infanterie, in garnizoen te Groningen, doch thans met verlof verblijf houdende te Onnen ten huize van zijn ouders, te horen. Hij bevestigt dat hij op zondagavond 20 oktober bij Kars Eisses was geweest en toen had gehoord dat Hindrik Bakker tot Kars Eisses had gezegd: “het spijt mij dat wij het gedaan hebben, ik heb er haast om geschreid en in den nacht het slapen om gelaten”. Dat Kars Eisses medelijden met dien persoon krijgende tot denzelven had gezegd: “wanneer het met wat geld is goed te maken, dan zal ik u helpen, dan kunt ge het geld halen en zelf de boete betalen”.

En zo ging deze zaak als een nachtkaars uit en keerde de rust in Onnen weer terug.

Op de foto de woning Dorpsweg 56 te Onnen. Het weiland van Kars Eisses lag direct achter de woning.

De columns ‘Harener Historie’ worden geschreven door Eppo van Koldam. Iedere twee weken verschijnt een nieuwe column. De eerste 78 columns zijn verschenen in het Harener Weekblad. De serie is per 1 april 2020 voortgezet op www.oldgo.nl. Dit is digitale column nr. 90.

Baldadige jeugd

De heer op de bovenstaande afbeelding is Jan Arend Godert baron de Vos van Steenwijk. Hij werd geboren op 7 februari 1799 op het huis de Havixhorst in De Wijk bij Meppel. Hij overleed op 7 maart 1872 te Zwolle. Van 1846 tot 1866 was hij Commissaris des Konings in de provincie Drenthe. Maar waarom in deze reeks van verhalen over de historie van Haren aandacht voor deze heer? De reden is, dat hij tot verontwaardiging van Harens burgemeester Rudolf de Sitter door het verspreiden van nep-nieuws de goede naam van de gemeente Haren hevig in het geding bracht.

Op dinsdag 16 september 1851 schrijft De Vos van Steenwijk een brief aan Louis Gaspard Adrien van Limburg Stirum zijn collega Commissaris des Konings in de provincie Groningen. Hij schrijft dat hij op de voorgaande zondagavond per koets vanuit Groningen naar Assen reisde en dat toen “het dorp Haren passerende eenige baldadige jongens zich niet ontzien hebben mijn paarden te doen schrikken door, zooals mij voorkwam, iets op dezelve te werpen, waarvan het gevolg was, dat het rijtuig bijna op hol geraakt zou zijn, zoo niet eene bijzondere omstandigheid onheil had afgewend”. De Vos van Steenwijk voegt daar nog aan toe, dat op diezelfde avond een andere inwoner van Assen bij het doorrijden van Haren dezelfde baldadigheid heeft ondervonden. Ja, naar hij gehoord had, zouden iedere zondagavond reizigers langs de straatweg door het dorp Haren aan dusdanige baldadigheid worden bloot gesteld. Hij dringt er bij zijn collega op aan het gemeentebestuur van Haren aan te schrijven om tegen de bedoelde baldadigheden gestrengelijk te laten surveilleren.

Van Limburg Stirum is uiteraard zeer gepikeerd over wat zijn Drentse collega in Haren overkomen is. Hij vraagt direct een reactie van burgemeester De Sitter van Haren. Die komt er op 23 september 1851. De Sitter schrijft dat “de klagte van den Heer Commissaris des Konings in de provincie Drenthe ons smartelijk heeft aangedaan”. Hij heeft er alle begrip voor, dat deze brief ook voor Van Limburg Stirum hoogst onaangenaam is geweest, daar men “toch genegen is en zelfs verpligt een onvoorwaardelijk geloof te hechten aan feiten opgegeven door ambtenaren, eene zoo hooge stelling als die van Commissaris des Konings bekleedende”. Maar dan maakt De Sitter een forse draai en kondigt hij aan op een overtuigende wijze de klacht te zullen weerleggen. Weg dus de plicht de Commissaris des Konings van Drenthe onvoorwaardelijk te geloven.

Op zich wil De Sitter niet uitsluiten, dat er op zondagavond in Haren enige baldadigheden plaats vinden. Alle herbergen in het dorp zijn aan de doorgaande Rijksstraatweg gelegen en de jeugd uit Haren en het naburige Onnen is gewoon zich op zondagavond in het dorp te verenigen en bij goed weer op straat te wandelen. En met slechts één veldwachter voor het toezicht kun je nu eenmaal niet alles in de gaten houden.

Maar zo vervolgt De Sitter in zijn brief aan de Commissaris des Konings in de provincie Groningen op de genoemde zondagavond 14 september 1851 was er in Haren helemaal niets aan de hand. De Sitter baseert zich daarbij op de verklaringen van twee ‘geloofwaardige en rustige huisvaders’ in het dorp Haren woonachtig. De Sitter heeft deze beide mannen onder ede gehoord en van dat verhoor zijn processen verbaal opgemaakt. “Die getuigenissen zijn zoo volledig, dat alle schijn zelfs alsof de paarden van de heer Commissaris des Konings van Drenthe door toedoen van derden, hetzij door jongens of mannen aan den hol zouden zijn geraakt, wordt weg genomen, dewijl zij beide eenstemmig getuigen, dat ter plaatse waar de paarden begonnen te slaan niemand, geen mensch, op straat was”.

Wie waren deze ‘geloofwaardige en rustige huisvaders’ dan wel en wat hadden ze gezien? Het ging om de timmerman Jan Dekens en de wever Johan Frederik Wilhelm Steinhorst. Zij stonden op de bewuste avond te praten voor de deur van de woning van Dekens (nu Rijksstraatweg 205; meubelzaak Velderhof, vroeger Boomker) toen ze vanuit Groningen een koets aan zagen komen rijden. Het was al behoorlijk donker. Steinhorst had zijn kinderen al naar huis gestuurd en er was verder niemand op straat. Toen de koets vlak bij hun was hoorden ze ineens ‘klabats’. Steinhorst had geschrokken geroepen: “Mijn God, wat is dat, breekt die wagen”. Waarop Dekens had geantwoord: “neen, maar die paarden gaan aan de kletter”. Steinhorst had ook nog geroepen “Dat is een kwade stinkert van een paard, die is niet mak, die gaan aan de loop”. Volgens Dekens begon een van de paarden plotseling met de achterbenen tegen de koets te slaan. Daarop waren beide paarden in galop voort gehold en zoolang zij het hadden kunnen horen hadden de paarden niet opgehouden met de achterbenen tegen de koets te slaan. De beide heren waren daarop de koets zo snel mogelijk achterna gelopen en vonden hem terug bij de Landhuishoudkundige school (Rijksstraatweg 241; nu kantoorgebouw Maartensstee). De knecht van De Vos van Steenwijk had toen gezegd dat de jongens in Haren iets naar de paarden hadden gegooid. Dekens had toen direct gezegd: “Mijn lieve man, daar is niets van waar, jou paarden binnen zelf begunt”.

De Vos Steenwijk had zelf van de aanleiding tot het op hol slaan van de paarden niets meegekregen. Hij had alles ‘van horen zeggen’. Dat gold ook voor de verhalen over overlast die de andere inwoners van Assen in Haren zouden hebben ondervonden. Burgemeester De Sitter sluit zijn rapportage aan de Commissaris des Konings in de provincie Groningen dan ook af met de opmerking, dat hij de verdere behandeling van de zaak waarin de goede naam van de gemeente Haren zoo hevig werd aangetast aan het verlicht en bezadigd oordeel van de Heer Commissaris overlaat. Wat vervolgens het antwoord richting De Vos van Steenwijk is geweest, weet ik helaas niet.

De columns ‘Harener Historie’ worden geschreven door Eppo van Koldam. Iedere twee weken verschijnt een nieuwe column. De eerste 78 columns zijn verschenen in het Harener Weekblad. De serie is per 1 april 2020 voortgezet op www.oldgo.nl. Dit is digitale column nr. 89.

Huize Bezoeki (later Voorhout)

Kent u het huis op de foto nog? Ruim 25 jaar geleden stond dit huis, genaamd Voorhout, nog aan de Rijksstraatweg 340 in Haren. Toen werd het afgebroken en vervangen door een zeer riant landhuis.

De historie van het huis Voorhout begint in 1851. Op 6 februari van dat jaar vroeg François Eliza Jakob van Oosten de Bruijn Prince vergunning voor het bouwen van een woning “te bouwen van steen en met pannen gedekt” aan de Straatweg te Haren. Twee weken later kreeg hij van burgemeester en assessoren (= wethouders) de gevraagde vergunning. Wie was deze François Eliza Jakob van Oosten de Bruijn Prince (voor het gemak noem ik hem verder François)? Ten tijde van de aanvraag van de vergunning woonde hij in Glimmen. Ik neem aan bij de bekende orgelbouwer Petrus van Oeckelen. Niet omdat hij bij Van Oeckelen in dienst was, maar omdat hij in september 1851 trouwde met Catherina Anna Margaretha van Oeckelen, de dochter van Petrus.

Wat deed deze François dan wel en hoe kwam hij aan maar liefst die driedubbele achternaam? Om met dat eerste te beginnen, ik heb van François geen enkele vermelding van een beroep kunnen vinden. Hij deed dus mogelijk niets anders dan teren op het van zijn ouders geërfde vermogen en dat vermogen was stellig grotendeels vergaard in Nederlands Indië. François werd op 19 januari 1827 geboren te Soerabaja. Zijn ouders waren daar in 1820 gehuwd. Vader Jean François de Bruijn Prince maakte carrière in de bestuurlijke hiërarchie van Nederlands Indië. In 1836 was hij resident van Bezoeki op Oost-Java. We weten dat, omdat dit zijn laatste functie was. Hij overleed namelijk op 21 april 1836 te Bezoeki. Zijn weduwe verhuisde naar Soerabaja, maar ook zij overleed nog in datzelfde jaar. François is dan nog geen 10 jaar en wees. Hij heeft een broer die twee jaar ouder is en een jonger zusje. Wellicht kwam François na het overlijden van zijn ouders naar Nederland. Duidelijkheid heb ik daar niet over. Zijn broer bleef waarschijnlijk in Nederlands Indië. Hij overleed daar in 1851 op 26 jarige leeftijd te Madjokarta. Hij was toen ambtenaar en controleur van het gouvernement en liet een weduwe met twee zeer jonge kinderen achter.

En dan al die achternamen. Dat is gewoon een kwestie geweest van vastplakken. De grootouders van de grootmoeder van François waren de predikant Cornelis de Bruijn en Elizabeth van Oosten. Zij trouwden in 1725 te Amsterdam. Hun zoon werd belangrijk in Haarlem en was daar zelfs een jaar burgemeester. Daar paste blijkbaar een wat chiquere naam bij en daarom ging hij door het leven als Gerrit Willem van Oosten de Bruijn. Die dubbele achternaam werd ook gevoerd door de grootmoeder van François. Deze grootmoeder trouwde met François Jacob Prince. Hun kinderen voerden vervolgens de achternaam De Bruijn Prince. De naam Van Oosten bleef even uit beeld, tot onze François ook deze naam weer uit de kast haalde en zo een driedubbele achternaam ging voeren. Tot nageslacht met deze fraaie namen is het overigens niet gekomen. Het huwelijk van François en Catherina van Oeckelen bleef kinderloos.

De aanvraag voor de bouw van de woning verliep, zoals we boven zagen, erg vlot. Voor de naam van de woning greep François terug op zijn jeugd in Indië. Het werd huize Bezoeki. Misschien een extra aanwijzing waar de financiering vandaan kwam. De ontsluiting van het bouwperceel bleek een veel lastiger verhaal dan de bouw van de woning zelf. François wilde zijn perceel met een dubbele in- en uitrit aansluiten op de Rijksstraatweg. Dan kon je er mooi met een rijtuig aan de ene kant inrijden en aan de andere kant er weer uit. Voor het uitzicht vanuit de woning zouden bovendien 12 eiken boompjes langs de straatweg gekapt moeten worden. Een verzoek tot dit alles diende François op 24 februari 1851 in bij de Minister van Binnenlandsche Zaken. Die stuurde het verzoek ter advisering door aan de Commissaris des Konings in de provincie Groningen en deze stelde het vervolgens om advies en consideratiën in handen van de Hoofdingenieur van de Waterstaat. Ambtelijke molens draaien langzaam zou je denken, maar dat viel best mee. Al op 13 maart adviseerde de Commissaris des Konings aan de minister. En dat advies was: niet meewerken aan het gevraagde. Wat was het geval. Recht tegenover de door François te bouwen woning lag tol nr 2 in de Rijksstraatweg van Groningen naar Assen (de eerste tol was in Helpman en de tweede tol in De Punt aan de Drentse kant van de brug over het Noord-Willemskanaal). Wat nu als François twee toegangen tot zijn perceel kreeg? Dan bestond het risico dat gebruikers van de straatweg via het terrein van François om de tol heen reden. De Hoofdingenieur van de Waterstaat adviseerde dat risico niet te accepteren en de Commissaris was dat men hem eens. Ook over het kappen van de bomen was de Hoofdingenieur duidelijk “wat de opgaande bomen aangaat, zoo komt het mij niet wenschelijk voor te zeer de wegruiming te bevorderen en dus zulks voor iedere ondergeschikte bouwhoeve of arbeiderswoning toe te staan, maar alleen voor zoveel door een of andere boom eene in- of uitrede wordt bemoeijelijkt. De boomen toch veraangenamen algemeen de weg, hebben of verkrijgen waarde en belemmeren zoo al, dan toch zeer weinig het uitzigt”. Ik neem aan dat François uiteindelijk genoegen heeft genomen met één inrit, maar de stukken daarover heb ik nog niet gevonden.

François en Catherina hebben maar kort in hun ‘Huize Bezoeki’ gewoond. In het voorjaar van 1857 verhuisden ze naar de stad Groningen. Het huis werd verhuurd. In eerste instantie aan Pieter Pieters en zijn gezin. Zoon Jan Pieters die in de eerste helft van de 20e eeuw in Haren bekendheid genoot als houder van het postkantoor werd hier geboren. Maar net als zijn ouders is ook François geen lang leven gegund. Op 3 maart 1859 stond onder andere in de Opregte Haarlemsche Courant het volgende: “Den 27 sten Februarij 1859, overleed te Haren, nabij Groningen, ten gevolge van een noodlottig toeval, in den ouderdom van 32 jaren, de Heer François Eliza Jacob van Oosten de Bruijn Prince, echtgenoot van Vrouwe C.A.M. van Oeckelen”. Wat dat noodlottig toeval is geweest, is mij nog niet duidelijk geworden. François overleed te Glimmen, naar ik aanneem bij zijn schoonfamilie.

Huize Bezoeki werd vervolgens enige decennia gebruikt als buitenhuis. Dit is het ook nog als in 1905 mevrouw Mathilda Bücker-Bosselaar vergunning krijgt voor een verbouwing. Deze mevrouw Bücker is een zeer interessante dame. Ze was met haar tweede man, de spoorwegbeambte Eduard Johan Bücker, omstreeks 1895 van Utrecht naar Groningen verhuisd. Vervolgens behaalde ze in 1896 het diploma voor verloskundige. Daarna vestigde ze in Groningen een eigen bureau voor beperking van het kindertal. Dit onder de vlag van het ‘Nieuw Malthusianisme. Laten we het maar houden op een consultatiebureau van de NVSH avant la lettre. Nadat ook haar tweede man in 1900 was overleden, hertrouwde ze In 1902 ze met de 17 jaar jongere Lucas Hendrik Westphal. Ze bleef echter werken onder haar oude naam, weduwe Bücker-Bosselaar. In 1909 overleed ze, 49 jaar oud. Haar weduwnaar ging toen in Huize Bezoeki wonen en vestigde daar een makelaarskantoor. Over hem lezen we decennia later in het Nieuwsblad van het Noorden van 13 april 1956: “In het R.K. ziekenhuis te Groningen is overleden de 79-jarige makelaar L.H. Westphal. De heer Westphal werd op 3 augustus 1877 te Assen geboren en vestigde zich in 1909 in een villa aan de Rijksweg tussen Haren en Harenermolen. De thans overledene was vooral voor de oude Hareners een bekende figuur, hoewel hij de laatste jaren een teruggetrokken leven leidde”. Na Westphal werd Kornelis Anko Themmen eigenaar. Mogelijk heeft hij de naam van het huis gewijzigd.

De columns ‘Harener Historie’ worden geschreven door Eppo van Koldam. Iedere twee weken verschijnt een nieuwe column. De eerste 78 columns zijn verschenen in het Harener Weekblad. De serie is per 1 april 2020 voortgezet op www.oldgo.nl. Dit is digitale column nr. 88.

Subcategorieën

Old Go

De Harense Historische Vereniging Old Go is opgericht in januari 2010 en houdt zich bezig met de geschiedenis van de voormalige gemeente Haren. De gemeente bestond uit de dorpen Haren, Glimmen, Onnen en Noordlaren en de buurtschappen Essen, Dilgt en Hemmen. Op 1 januari 2019 is de gemeente Haren in het kader van de gemeentelijke herindeling samengegaan met de gemeenten Groningen en Ten Boer. 

Gevarieerd aanbod

Lezingen en excursies

Organisatie Open Monumentendag 

Uitgave van Harens Old Goud, 2x per jaar, een tijdschrift met een breed aanbod van artikelen en oude foto's

Publicaties in Haren de Krant

Presentatie en promotie op evenementen.

Info-centrum

Kom eens langs in het Info-centrum van Old Go! Elke eerste donderdag van de maand kunt u van 14.00 tot 16.00 uur bij ons terecht voor inzage in ons archief. We hebben een luisterend oor voor uw (oude) verhalen met of zonder foto’s. Voor vragen en informatie kunt u mailen naar info@oldgo.nl. Het adres is: Oude Brinkweg 12A, Haren; de trap op naar boven.   

Contact

Wilt u lid worden?  Zie ons aanmeldingsformulier. 

Heeft u een algemene vraag of opmerking:  info@oldgo.nl

Wilt u een artikel of foto's aanbieden voor Harens Old Goud: redactie@oldgo.nl